Home Contact Openingstijden Sitemap Vacatures English Brede School Albrandswaard CAI a A
Toespraak herdenking 4 mei - Burgemeester Harald M. Bergmann

Dit item is verlopen op 19-05-2012.

Toespraak van burgemeester Harald M. Bergmann tijdens de herdenkingsbijeenkomst in de Hervormde kerk in Rhoon, 4 mei 2012.

Dames en heren, jongens en meisjes, 

Vandaag, 4 mei 2012, herdenken we op de eerste plaats de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in Europa en in voormalig Nederlands-Indië. Mensen die de dood vonden in de strijd op de slagvelden en tijdens de bombardementen. De zes miljoen joodse slachtoffers van de concentratiekampen. Onze helden uit het verzet en de dwangarbeiders. En in het bijzonder staan we stil bij de zeven slachtoffers uit Rhoon die in 1944 door de nazi’s werden gefusilleerd.

Maar laten we vooral ook denken aan allen die ná de Tweede Wereldoorlog op zoveel plaatsen in de wereld zijn gestorven, tijdens massaslachtingen en oorlogen. In Soedan, Sri Lanka, Irak en Colombia kijken mensen nog dagelijks de dood in de ogen. We herdenken vanavond daarom ook hen die zijn omgekomen in oorlogssituaties en tijdens vredesmissies na 1945. Want sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog, nu 67 jaar geleden, is er wereldwijd helaas nog geen dag zonder oorlog voorbij gegaan!

Voor ons als Nederlanders hebben de jaren van oorlog en bezetting duidelijk gemaakt wat het betekent als de democratie terzijde wordt geschoven. Als rechten en vrijheden van burgers worden afgenomen. Wat er gebeurt als groepen mensen systematisch worden buitengesloten, vervolgd en vermoord. We moeten ons terdege beseffen dat onderdrukking en oorlog het gevolg zijn van het handelen van mensen. En dat vrijheid broos is.

Het thema van de herdenking dit jaar is ‘Vrijheid geef je door’.
Daarover hebben we de afgelopen weken uitgebreid besproken met de leerlingen van groep acht van onze basisscholen. We waren dit jaar maar liefst elf keer in het Oude Raadhuis in Poortugaal. Samen met Annemarie van Es van het Comité Herdenking Gevallenen Albrandswaard hebben we de leerlingen een beeld geschetst van de oorlogsjaren. We spraken met elkaar over de bezetting en vooral wat dat dan in de dagelijkse praktijk betekent: dat alles wat we nu zo normaal vinden - naar school gaan, onbezorgd buitenspelen, met sport of muziek bezig zijn - de vrijheid om dat te doen, er toen niet was.

De leerlingen hebben ook een tekening of gedicht mogen maken over dit onderwerp - een aantal daarvan wordt zodadelijk voorgedragen en alle inzendingen hangen hier in Rhoon en in Poortugaal in de kerken.
Het resultaat laat zien dat de boodschap wel degelijk is overgekomen: dat de leerlingen zich goed hebben ingeleefd en echt lijken te doorvoelen wat de strijd was die is gestreden, dat ‘vrijheid’ het waard is om voor te vechten en de noodzaak om die boodschap door te geven.

Het belang van blijven herdenken, dat is wat wij als Comité willen doorgeven. Niet alleen aan de schoolkinderen, maar ook aan u. Daarom heeft u bij binnenkomst een speldje gekregen. Het is een tastbaar symbool voor onze vrijheid en de strijd die gevoerd is om die vrijheid te heroveren.

Om de oorlogsjaren en situatie van toen tastbaarder te maken, zal ik nu een ooggetuigenverslag voorlezen van Wim Hartman, die 17 jaar was toen de oorlog uitbrak:

“Het was juni 1941. Ik zat in een verzetsgroep met zesendertig jongens. Eén van ons heeft al onze namen aan de Gestapo doorgegeven. Het is een rare gewaarwording om verraden te worden door iemand met wie je regelmatig omgaat. Het was het begin van vier jaar narigheid: van Amersfoort naar Buchenwald en via een aantal andere kampen naar Dachau, tot de bevrijding op 29 april 1945. Van de zesendertig jongens kwamen er maar acht na de oorlog terug.

In het kamp was bijna niets. De meeste van onze jongens zijn daar omgekomen. Wij moesten keihard werken: van 's ochtends zes tot 's avonds laat. Overdag in de steengroeve, 's avonds sleepten we bouwmateriaal. Voor dat beulswerk was het eten en drinken absoluut onvoldoende. Toen het Rode Kruis het kamp bezocht, mocht het honderd gevangenen aanwijzen voor overplaatsing naar een 'Erholungslager' - Dachau. Daar was ik gelukkig bij. Het had geen week langer moeten duren. Ik woog nog maar tweeëndertig kilo.

Toen ik na vier jaar kamp terugkwam was ik erg veranderd. Een van mijn beste vrienden had ik aan dysenterie zien sterven. Terug in Nederland moest ik dat zijn moeder vertellen. Ik kreeg van haar vreselijk op m'n kop: wat had ik dan gedaan om het wel te overleven en haar zoon niet? Dat deed pijn; het was niet uit te leggen waarom hij het in dezelfde omstandigheden niet had gered.”

Die ontberingen zijn voor ons, die leven in een vrij land, bijna niet meer voor te stellen. Dat geldt ook voor het verhaal van Loes Stolk, die in voormalig Nederlands-Indië in verscheidene vrouwenkampen zat.

“De oorlog brak uit in Europa en daarna begon de ellende. Mijn vader werd na een paar maanden opgepakt en mijn moeder en ik zaten eerst in een afgesloten wijk van Batavia. We zaten er met z’n zestigen in één huis, met één wc! Het ellendigste was het gebrek aan privacy.
Na een jaar kwam er een verordening voor de joodse vrouwen.

Mijn moeder, mijn schoonzusje en ik werden eruit gehaald en op grote vrachtwagens gezet. Daarna stampten ze ons in geblindeerde treinen. We dachten dat ons een verschrikkelijk lot te wachten stond, maar de Japanners deelden de rassentheorie van de nazi's niet.

Ze brachten ons naar kamp Tangerang, vlakbij Batavia. Daar heb ik mensen van de honger horen doodgaan. Er was een oudere vrouw, die lag te brullen van de honger: 'Ik moet eten, éten.' Na een half jaar moesten we weg uit Tangerang en kwamen we terecht in Adek. Dat was een hel. Het eten was er miniem, er werd hard gestraft en de urenlange appèls in de verzengende hitte waren verschrikkelijk. Maar het ergste was niet wat de Japanners ons aandeden, maar wat de mensen elkaar aandeden. We zaten op een zaal waar ieder vijftig centimeter had, net genoeg voor ons dunne matrasje. Onzindelijke kinderen, ruziënde vrouwen, alles zat door elkaar. Ik moest eten uitdelen en als aasgieren zaten ze te loeren of ik niet een korreltje meer aan een ander gaf. Die herinneringen heb ik volkomen weggeveegd; ik heb het doorstaan en probeer er niet aan te denken.”

Deze verhalen schetsen een beeld dat voor ons, die de oorlog niet hebben meegemaakt, haast niet voor te stellen is. Wij kunnen nu, in het vrije en democratische land waarin wij leven, het boek sluiten als een verhaal ons niet bevalt. Doorzappen als het tv-programma ons niet zint. Of internet wegklikken als we uitgesurft zijn. Wij kunnen ons leven in vrijheid leven. En wij zijn allen, die hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid, daar intens dankbaar voor. Dat is ook de reden dat we op 4 mei, ieder jaar weer, 2 minuten stil zijn en denken aan allen die voor onze vrijheid hebben gevochten en zijn gestorven.

Laten wij nu de slachtoffers van onderdrukking en geweld tijdens de Tweede Wereldoorlog en al die jaren daarna, gaan herdenken. Ik ben dankbaar dat ik hier vanavond in vrijheid kan staan, samen met u. Fijn dat u met zo velen bent gekomen.